De sociale positie van een publieke opinie over personen met een handicap
Welke waarden, voorstellingen én realiteiten leven in Vlaanderen? Uit het recente onderzoek in Vlaanderen naar de sociale positie van personen met een handicap bleek [voetnoot1] [voetnoot2]:
- Dat 1 op 4 huishoudens (mensen die onder één dak wonen) een persoon met een handicap telt. Een grote groep mensen wordt dus geconfronteerd met het leven met een handicap.
- Mensen met een handicap minder tewerkgesteld zijn dan mensen zonder handicap. De helft van alle mensen met een handicap heeft geen job.
- Dat wie een handicap heeft, heeft meestal minder ‘goede vrienden’ en vertrouwenspersonen terecht kan voor een goede babbel.
- Ouders, broers, zussen en kinderen belangrijker zijn in het leven van iemand met een handicap. Zij nemen de rol van ‘goede vrienden’ op zich.
- Het sociale netwerk van mensen met een handicap minder stevig is. Ze voelen zich minder verbonden met de mensen rondom zich.
- Uit de vorige conclusies blijkt dat mensen met een handicap minder sociaal geïntegreerd zijn. In hun vrije tijd blijven ze ook vaker thuis. Het bibliotheek- of bioscoopbezoek is erg beperkt.
- Mensen met een handicap de toekomst somber inschatten. Ze maken zich meer zorgen dan anderen over geld, politiek, het gezin, de gezondheid, de eigen toekomst en hun veiligheid.
- Het inkomen van mensen met een handicap een stuk lager is. 56% van de mensen met een handicap moet maandelijks rondkomen met een netto inkomen dat minder is dan 1100 euro
- Mensen met een handicap zich erg bewust zijn van hun situatie. Ze wéten dat hun inkomen lager is en voelen zich uitgesloten. Ze voelen zich gediscrimineerd door ongelijke kansen.
Een tweede relevant onderzoek over sociale netwerken en publieke opinie over inclusie van personen met een handicap [voetnoot 3] geeft aan dat deze groep doorgaans ouder is, lager opgeleid, minder tewerkgesteld is en in mindere mate kinderen ten laste hebben. Het is gezien hun aantal (786.189 Vlamingen) een duidelijk aanwezige groep in de samenleving misschien niet altijd even zichtbaar.
Sociale netwerken
Meer dan de helft van de Vlamingen had contact met een persoon met functiebeperkingen in de laatste twaalf maanden. Het gaat hier dan vooral over vrienden, de ruimere familie en de buurt. Vlamingen zonder handicap of gezondheidsproblemen hebben in hun vertrouwensnetwerken gemiddeld 10 procent mensen met functiebeperkingen. Dat aandeel ligt beduidend hoger in de netwerken van personen met een functiebeperking zelf. Zij zoeken elkaar wat meer op om diepgaandere sociale relaties te onderhouden, men haalt steun en vertrouwen uit zulke relaties.
Publieke opinie
Algemeen gesteld bleek de publieke opinie erg gunstig voor inclusief onderwijs en gezinsvorming van personen met een lichamelijke handicap. Voor al deze aspecten steunt een meerderheid van Vlamingen de stellingen in de richting van inclusie en worden deze burgerrechten onderschreven. Verdeeldheid is er nochtans ook: recht op vrije gezinsvorming voor personen met een verstandelijke handicap is niet geheel gedragen, maar wordt ook niet meteen volledig niet gedragen. Toch kan deze groep op minder steun rekenen en worden ze in mindere mate als drager van dit burgerrecht beschouwd.
Als de Vlaming zelf zijn buren kan kiezen, dan kiest zij/hij in de eerste plaats voor bevolkingsgroepen die sociaal gezien het minst veraf staan en voor mensen die de minst zware handicap hebben of het minst zorgbehoevend zijn.
De publieke opinie blijkt niet beïnvloed door kenmerken van de netwerken van andere Vlamingen en ook niet door het al dan niet vertrouwd zijn met personen met functiebeperkingen. Ook het opleidingsniveau, een anders zo differentiërende variabele, heeft erg weinig invloed.
Leeftijd toont in dat opzicht wat meer verschillen. Ouderen ondersteunen, ten opzichte van jongeren, in mindere mate sociale inclusie. Dat geldt ook voor vrouwen ten opzichte van mannen, zij het wel in mindere mate. Het berekenen op basis van het gegeven van al dan niet deel te nemen aan het verenigingsleven liet gunstige effecten zien op de opinie m.b.t. inclusief onderwijs. Dit resultaat pleit voor het emancipatorische effect van maatschappelijke participatie.
Het is zeker een aanrader om deze studie te lezen in combinatie met de studie van de Universiteit Gent die in de loop van 2002 en 2003, in opdracht van de cel Gelijke Kansen Vlaanderen, een onderzoek naar de beeldvorming uitvoerde over personen met een handicap in Vlaanderen.